U zoekt een kapitaalverzekering? Op deze site kunt u hierover allerlei informatie krijgen en geheel vrijblijvend een offerte aanvragen. Informatie over kapitaalverzekering vindt u in het overzicht van sites over kapitaalverzekering onder aan de pagina. Wij vergelijken de beste kapitaalverzekering voor u voordat we een offerte doen uit een bestand van premies van circa 80 aanbieders van verzekeraars. kapitaalverzekering nieuwsKapitaalverzekering eigen woning - verbond van verzekeraarsAls de verzekerde op een vooraf afgesproken tijdstip nog in leven is, wordt een kapitaal uitgekeerd. Dit kapitaal wordt gebruikt voor (gedeeltelijke) aflossing van de hypothecaire lening. Er kan worden gekozen voor een kapitaalverzekering bij leven, een universal life verzekering of een unit linked verzekering. Verdere specificatie De kapitaalverzekering eigen woning wordt vaak gecombineerd met een uitkering bij overlijden, zodat ook na overlijden van de verzekeringnemer de hypothecaire lening kan worden afgelost. Eventueel kan de verzekering worden gecombineerd met premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. In dat geval neemt de verzekeringsmaatschappij de premiebetaling over als de verzekeringnemer arbeidsongeschikt raakt. Premie De premie is afhankelijk van leeftijd en het geslacht van de verzekerde. Ook de looptijd van de verzekering is van belang. Bijzonderheden De verzekering moet worden gekoppeld aan de hypothecaire lening. Deze koppeling wordt aangetekend op de polis. Als het verzekerd bedrag wordt gebruikt voor de aflossing van de hypothecaire lening, is de uitkering (tot bepaalde maxima) vrijgesteld van fiscale claims. Een kapitaalverzekering eigen woning telt NIET mee voor de vermogensrendementsheffing in box 3 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Meer informatie over de specifieke voorwaarden voor de kapitaalverzekering eigen woning krijgt u van uw assurantietussenpersoon of verzekeringsmaatschappij. Kapitaalverzekeringen niet gekoppeld aan de eigen woningKapitaalverzekeringen niet gekoppeld aan de eigen woning Het kan zijn dat u bij uw hypotheek een kapitaalverzekering heeft
afgesloten, dat is een levensverzekering die op een bepaalde einddatum of bij
eerder overlijden een bedrag uitkeert. Met deze kapitaalverzekering bouwt u
vermogen op waarmee u aan het einde van de looptijd (een deel van) uw hypotheek
kunt aflossen. Een voorbeeld van zoXFX002n hypotheek is de Bespaar-Direkt-Hypotheek.
Wel of niet fiscaal koppelen?
Volgens de nieuwe belastingwet moet u beslissen of u de kapitaalverzekering
fiscaal aan uw hypotheek wilt koppelen (box 1) of niet (box 3). U moet de
kapitaalverzekering - zoals de belastingdienst dit noemt - "wel of niet
kwalificeren als Kapitaalverzekering Eigen Woning". Om te kwalificeren als
Kapitaalverzekering Eigen Woning, moet de polis aan bepaalde eisen voldoen en
moet u deze dus laten veranderen. De afsluitdatum is doorslaggevend
De uitkering uit een Kapitaalverzekering Eigen Woning moet u gebruiken
voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Wat voor u de beste keuze is - de
polis in box 1 of box 3 - hangt vooral af van de datum waarop u de verzekering
hebt afgesloten. Kapitaalverzekering afgesloten vóór 1 januari 1992?
In dit geval is het
voor u waarschijnlijk voordeliger om uw kapitaalverzekering NIET om te zetten
in een Kapitaalverzekering Eigen Woning. Volgens het nieuwe belastingstelsel
kunt u de kapitaalverzekering voortzetten als een fiscaal niet-gekoppelde
kapitaalverzekering. U heeft tijdens de looptijd in box 3 een vrijstelling voor
de vermogensrendementsheffing van EUR 123.428,- per
begunstigde/verzekeringnemer. Dit bedrag wordt niet geïndexeerd. Het bedrag
wordt aan het einde van de looptijd volledig onbelast uitgekeerd.
Nieuwe kapitaalverzekering eigen woning afsluiten?
Als u uw bestaande kapitaalverzekering niet wilt koppelen, houdt u
altijd de mogelijkheid om alsnog een Kapitaalverzekering Eigen Woning af te
sluiten, waarvoor een jaarlijks geïndexeerde vrijstelling bij uitkering blijft
gelden. Kapitaalverzekering afgesloten vóór of op 14 september 1999?
In dit geval is het
waarschijnlijk voordeliger om uw kapitaalverzekering NIET om te zetten in een
Kapitaalverzekering Eigen Woning. Volgens het nieuwe belastingstelsel kunt u de
kapitaalverzekering voortzetten als een fiscaal niet-gekoppelde
kapitaalverzekering. Over de opgebouwde waarde tot EUR 123.428,- betaalt u dan
geen vermogensrendementsheffing. De einduitkering is geheel onbelast voor zover
de waarde van de verzekering per 1 januari 2001 lager of gelijk is aan EUR
123.428,-.
Kapitaalverzekering afgesloten na 14 september 1999?
Als u over de
opgebouwde waarde in de kapitaalverzekering geen belasting wilt betalen, is het
voor u waarschijnlijk aan te raden om uw kapitaalverzekering wel om te zetten
in een Kapitaalverzekering Eigen Woning. U betaalt dan geen belasting
(vermogensrendementsheffing) over de opgebouwde waarde en de einduitkering is
onbelast tot de hoogte van de hypotheekschuld met een maximum van 125.500,- EUR
(2001) per begunstigde/verzekeringnemer.
Wanneer u uw kapitaalverzekering niet wilt kwalificeren als
Kapitaalverzekering Eigen Woning, dan wordt de verzekering gezien als een niet-gekoppelde
kapitaalverzekering. Dit betekent dat u jaarlijks 1,2%
vermogensrendementsheffing gaat betalen over de opgebouwde waarde, als uw
nettovermogen hoger is dan het heffingsvrije vermogen van EUR 17.600,- (2001). Hoe regelt u dit?
Als u uw kapitaalverzekering wilt koppelen en dus per 1 januari 2001
wilt aanmerken als een Kapitaalverzekering Eigen Woning, dan moet u hiertoe een
verzoek doen aan de belastingdienst bij uw aangifte over 2001. U kunt hierna
niet meer op dit verzoek terugkomen. Om te koppelen moet op uw
verzekeringspolis de kwalificatie Kapitaalverzekering Eigen Woning worden
aangetekend. U kunt dit het beste vóór 31 december 2001 laten regelen bij uw
tussenpersoon. Dubbele vrijstelling van EUR 123.428,-
In sommige gevallen
kunt u profiteren van de dubbele vrijstelling van EUR 123.428,-. Neem tijdig
contact op met uw tussenpersoon om een eventuele aanpassing op de
verzekeringspolis door te nemen. U kunt in aanmerking komen voor een dubbele
vrijstelling als:
Bron: http://www.direktbank.nl DGA en kapitaalverzekeringEen DGA is een directeur- grootaandeelhouder die minimaal 5% aandelen in een BV of NV heeft. De DGA is een werknemer net als andere werknemers, maar heeft toch een enigszins aparte status. Voor de DGA verandert er in het nieuwe belastingsysteem heel veel.De DGA en zijn kapitaalverzekering: Het Belastingplan 2001 komt met rasse schreden naderbij. Directeuren en grootaandeelhouders, in Nederland een groep van in totaal ongeveer 60.000 personen, kunnen worden geconfronteerd met één van de meest ingrijpende wijzigingen. Tomorrow Pensioenconsultants introduceerde het DGA-Spaarplan, speciaal om de kapitaalverzekering voor deze groep op peil te houden. Het DGA-Spaarplan is een combinatie van een verzekeringspolis en een lening. Het product is een fiscaal aantrekkelijk alternatief voor degenen die momenteel een kapitaalverzekering hebben bij de eigen b.v. Veel directeuren en grootaandeelhouders hebben een dergelijke kapitaalverzekering. De b.v. treedt in zulke gevallen als verzekeraar op, met het fiscale voordeel van dien. De ingelegde premies worden belegd, waardoor na minimaal 15 jaar een belastingvrij kapitaal aan de directeur of grootaandeelhouder wordt uitbetaald. Het kapitaal wordt in veel gevallen gebruikt voor het aflossen van de hypotheek, voor het vormen van vermogen of als spaarkapitaal. De constructie is zeer aantrekkelijk: door de onderneming als verzekeraar te laten optreden is er een aanzienlijke kostenbesparing. Met de invoering van het Belastingplan 2001 komt er een eind aan deze interessante constructie. De verzekeringsopbouw via de b.v. zal volledig onder de nieuwe Box 1 vallen en dus gezien worden als inkomsten uit arbeid. Het belastingpercentage gaat daarmee van 25% naar 42 of 52%. Ook de al opgebouwde aanspraken vallen in Box 1, als niet vóór 1 januari 2001 actie wordt ondernomen. Dit betekent dat het predikaat 'kapitaalverzekering' vervalt. Consequentie: de directeur of grootaandeelhouder moet over het te behalen rendement ieder jaar opnieuw inkomstenbelasting betalen. De oplossing ligt in het overdragen van de verzekering, en dus de opgebouwde waarde, naar een 'echte' verzekeraar. Hierdoor blijven de huidige voordelen voor het grootste deel overeind. Het DGA-Spaarplan van Tomorrow combineert het omzetten van de polis met een lening. Dit heeft te maken met het feit dat de b.v. de opgebouwde waarde in de meeste gevallen niet liquide heeft en dus ook niet kan overdragen aan de verzekeraar. De directeur of grootaandeelhouder krijgt een nieuwe polis van de verzekeraar. Deze polis kan als onderpand voor de lening dienen. Tomorrow levert binnen één werkdag een voorstel voor een persoonlijk DGA-Spaarplan, waarin rente en rendement zijn aangegeven. Tot 31 december van dit jaar kan Tomorrow dit product aanbieden. Na die datum is 'reparatie' niet meer mogelijk. De DGA en zijn woning annex bedrijfspand: Een ondernemer die zijn eigen bedrijf onderdak biedt door verhuur, heeft vanaf 1 januari 2001 te maken met veranderingen in de wetgeving. Veranderingen die in het nadeel van zowel ondernemer als onderneming kunnen uitpakken… 'Bezittingen' zoals vermogen, aandelen en onroerende goederen (anders dan de eigen woning), vallen in de nieuwe wetgeving in Box 3. In deze Box 3 wordt 30% belasting geheven over een verondersteld rendement van 4% per jaar, ook wel genoemd de 'Vermogensrendementsheffing'. Op zich volkomen duidelijk - niets mis mee. Tenzij het gaat om bedrijfspanden die in eigendom zijn van de ondernemer. Wat is het geval? Deze panden worden meestal verhuurd aan de onderneming, die hiervoor huurpenningen afdraagt. Deze huurpenningen zijn nu en blijven vanaf 2001 'gewoon' progressief belast bij de ondernemer. In veel gevallen echter wordt een bedrijfspand door de ondernemer gezien als een privé-vermogen. De verkoopopbrengst is hierdoor netto opneembaar. Adder onder het gras De wetgever is van mening dat de betreffende vermogensbestanddelen niet als een belegging, maar als onderdeel van de onderneming moeten worden gezien. In de 'Veegwet Wet Inkomstenbelasting 2001' is dan ook bepaald dat het bedrijfspand in een dergelijke situatie niet in Box 3, maar in Box 1 thuishoort. Met alle nadelige gevolgen van dien: op het moment dat 'iets' in Box 1 valt, wordt tot het hoogste belastingtarief hierover in rekening gebracht. Het einde dus van een aanmerkelijk netto voordeel bij verkoop van het bewuste pand, terwijl de huuropbrengsten nog steeds belast blijven. De verkoopopbrengst bij particuliere woonhuizen als eerste woning is en blijft onbelast. De opbrengst van een verkocht bedrijfspand valt dus straks in Box 1. Wat is de praktijk? In veel gevallen begint een ondernemer zijn 'eigen zaak aan huis'. Na verloop van tijd, wanneer de zaken goed gaan, groeit de onderneming en daarmee het belang daarvan. Wellicht vindt er een verbouwing plaats en wordt er personeel aangenomen. Binnen de kortste keren bestaat er dan geen duidelijk onderscheid meer bestaat tussen het 'bedrijfspand' en de 'privé-woning'. Op dat moment valt het geheel in Box 1 en daarmee de ondernemer in de prijzen… En dat betekent een fors nadeel bij verkoop. Immers, bij verkoop van een 'gewoon' privé-woning is de opbrengst daarvan netto op te nemen. In de bovengeschetste situatie wordt over de opbrengst van het gehele pand, dus ook het privé-deel, in Box 1 progressief belasting geheven. Eenvoudige oplossing…? In veel gevallen bestaat een simpele oplossing, echter de tijdsdruk is hoog omdat actie nog in 2000 benodigd is. Daarnaast kan overwogen worden om de huur voor een langere tijd vooruit door de onderneming te laten betalen. Op die manier vallen de nog niet verschuldigde huurpenningen privé in Box 3, zodat daarmee kan worden belegd. Een elegante, structurele oplossing verdient maatwerk. Gelukkig is maatwerk vaak 'online' te verkrijgen en daarmee dichterbij dan u denkt! Wanneer een DGA in plaats van een zelfstandig ondernemer? De meeste ondernemers starten een bedrijf als eenmanszaak of een vennootschap onder firma (VOF). Pas later wordt er vaak besloten om de eenmanszaak of VOF voort te zetten als een BV of soms een NV. Bij de vraag of je met een eenmanszaak of VOF verder moet of dat je moet doorgaan in een BV, moet je vooral letten op volgende punten: a. wordt er meer verdiend in het bedrijf dan dat er nodig is (overwinst) b. heeft het bedrijf financiën nodig (voorraadfinanciering/debiteurenfinanciering) Het grote verschil zit in eerste instantie namelijk in wat er overblijft na aftrek van salaris, kosten en belasting. Bij een BV blijft er in principe meer over, maar dit zit dan wel in de BV. Bij een eenmanszaak wordt er volledig inkomstenbelasting betaald, maar is wat uiteindelijk overblijft wel volledig netto vermogen van de ondernemer. Schema eenmanszaak Eénmans- zaak omzet inkoop kosten Bruto Winst belasting netto 500 250 50 200 100 100 totaal belasting: 100 totaal netto: 100 In liquiditeit totaal ƒ. 100.000 Schema: de BV/NV BV bruto netto winst belasting Winst salaris salaris bruto Netto 80 50 120 40 80 totaal belasting: 70 totaal netto: 130 In liquiditeiten beschikbaar in de vennootschap ƒ. 78.000 Het verschil in liquiditeit: Het verschil in liquiditeit bedraagt ƒ. 28.000 extra in de vennootschap. Nadeel: Als de DGA zijn winst ooit uit de BV naar privé wil halen, is er een belastingheffing conform BOX II van toepassing (aanmerkelijk belang: 25%). Als in bovengenoemd voorbeeld de DGA zijn winst in de BV naar privé wil halen, is er ƒ. 20.000,-- belasting verschuldigd over de winst in de BV. Hierdoor wordt het voordeel verminderd tot slechts 8.000,--. Kapitaalverzekering eigen woning; een verkeerde keuze?Kapitaalverzekering eigen woning; een verkeerde keuze?Stel, u heeft gekozen om uw kapitaalverzekering als kapitaalverzekering eigen woning aan te merken. Gezien de tijdsdruk waarin deze beslissing genomen diende te worden, hebben velen ervoor gekozen om de kapitaalverzekering in box 1 te laten vallen. Wellicht is het voordeliger om uw kapitaalverzekering in box 3 te laten vallen. De keuze om de kapitaalverzekering in box 1 of in box 3 te laten vallen heeft gevolgen voor de belastingplichtige. Indien de polis in box I valt, heeft dit tot gevolg dat er geen rendement in box 3 belast wordt. Bij uitkering van deze polis geldt onder bepaalde voorwaarden een hoge vrijstelling. Kapitaalverzekeringen waarvoor geen keuze is gemaakt, vallen automatisch in box 3. Voor polissen die al bestonden op 14 september 1999 geldt onder voorwaarden een ruime vrijstelling van de vermogensrendementsheffing in box 3. Veel mensen hebben zich niet gerealiseerd dat de vrijstelling in box 3 voordelen kan hebben, het gevolg hiervan is dat zij hun kapitaalverzekering als kapitaalverzekering eigen woning hebben aangemerkt. Spijtoptanten, die de kapitaalverzekering eigen woning toch in box 3 willen hebben, kunnen uiterlijk tot 31 december 2003, bij de aangifte over belastingjaar 2002 aangeven dat de kapitaalverzekering in box 3 dient te vallen. Indien u graag meer wilt weten over uw kapitaalverzekering, raadpleeg dan uw adviseur. Deze kan u adviseren wat in uw geval de beste keuze is. Pensioen- en spaarfondsenwetWij JULIANA, bij de Gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, regelen vast te stellen betreffende pensioen- en spaarvoorzieningen, met name bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen en ondernemingsspaarfondsen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1. 1. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. 'pensioen': ouderdoms-, invaliditeits-, weduwen-, weduwnaars-, partner- en wezenpensioen. b. 'bedrijfstakpensioenfonds': een in een bedrijfstak werkend fonds, waarin hetzij alleen ten bate van personen, die als werknemer, hetzij mede ten bate van personen, die in andere hoedanigheid in die bedrijfstak werkzaam zijn, gelden worden bijeengebracht, strekkende tot verzekering van pensioen; c. 'ondernemingspensioenfonds': een aan een onderneming verbonden fonds, waarin ten bate van personen, die aan die onderneming verbonden zijn, gelden worden bijeengebracht, strekkende tot verzekering van pensioen; d. 'ondernemingsspaarfonds': een aan een onderneming verbonden fonds, waarin voor personen, die aan die onderneming verbonden zijn, gelden worden bijeengespaard met het oog op een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging; e. 'werkgever': het hoofd van een onderneming of, zo deze een rechtspersoon is, die rechtspersoon zelve; f. 'werknemer': ieder, die in dienst van een onderneming is; g. 'deelnemer': ieder, ten bate van wie gelden in een fonds als bedoeld onder b, c of d, worden bijeengebracht; h. 'bijdrage': iedere onder de naam van bijdrage, spaarbijdrage, premie, spaarpremie, inleg, contributie, koopsom, dan wel, indien de betaling in termijnen is overeengekomen, aflossing, of onder welke andere naam ook, ineens of periodiek verschuldigde geldsom bestemd voor de verzekering van pensioen of voor het sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging; i. 'Onze Minister': Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; j. 'Pensioen- & Verzekeringskamer': de Pensioen- & Verzekeringskamer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993; k. 'nabestaandenpensioen': weduwen-, weduwnaars-, partner of wezenpensioen; 1. 'beroepspensioenfonds': een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, dat een pensioenregeling uitvoert ten aanzien waarvan artikel 2, eerste lid, van die wet toepassing heeft gevonden. 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met: a. echtgenoot: geregistreerde partner; b. echtgenoten: geregistreerde partners; c. de man en de vrouw: de geregistreerde partners; d. huwelijk: geregistreerd partnerschap; e. gehuwden: als partner geregistreerden; f. huwelijkse voorwaarden: voorwaarden van een geregistreerd partnerschap; g. scheiding of echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing; h. weduwe of weduwnaar: achtergebleven partij bij een geregistreerd partnerschap; i. weduwen- en weduwnaarspensioen: pensioen ten behoeve van achtergebleven geregistreerde partners. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt: a. met een bedrijfstak gelijkgesteld een groep van instellingen, die niet, of niet alle ondernemingen zijn; b. met een onderneming gelijkgesteld elke instelling van welke aard ook; c. degene, die een vrij beroep uitoefent (zoals een advocaat, notaris, accountant, actuaris), geacht een onderneming te drijven. 4. Waar in deze wet gesproken wordt van pensioenfonds of spaarfonds, wordt daaronder verstaan eenfonds, als bedoeld in het eerste lid onder b en c, onderscheidenlijk onder d. 5. Een ondernemingspensioen- of spaarfonds kan aan meer dan één onderneming verbonden zijn. 6. Een bedrijfstakpensioenfonds kan meer dan één bedrijfstak omvatten; ook kan de werking van zodanig fonds beperkt zijn tot een deel van een bedrijfstak. 7. Tenzij anders vermeld is deze wet niet van toepassing op pensioen- of spaarfondsen, waarvoor bij een andere wet - met uitzondering van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 - of bij algemene maatregel van bestuur regelingen zijn vastgesteld. 8. Indien de onderneming, waaraan een pensioenfonds of een spaarfonds verbonden is, ophoudt te bestaan, dan wel de verbondenheid van een pensioen- of spaarfonds aan de onderneming anderszins wordt beëindigd, wordt dat fonds voor de toepassing van deze wet geacht zijn karakter als ondernemingspensioen- of spaarfonds niet van rechtswege te verliezen. NB Een pensioenfonds, jegens welke op 1 januari 2000 ten minste 2000 personen aanspraak of recht op ouderdomspensioen hebben, terwijl tot dat pensioenfonds geen nieuwe deelnemers kunnen toetreden en de bezittingen van het fonds tezamen met de te verwachten inkomsten toereikend zijn ter dekking van 115% van de uit de statuten en reglementen voortvloeiende pensioenverplichtingen, behoeft niet over te gaan tot het overdragen of herverzekeren van het uit die verplichtingen voortspruitende risico door het sluiten van een verzekeringsovereenkomst met een verzekeraar. Artikel 2. 1. Een werkgever, die aan personen, verbonden aan zijn onderneming, toezeggingen omtrent pensioen doet of vóór de inwerkingtreding van dit artikel gedaan heeft, is verplicht ter uitvoering daarvan: a. hetzij toe te treden tot een bedrijfstakpensioenfonds; b. hetzij aan de onderneming een ondernemingspensioenfonds te verbinden; c. hetzij voorzieningen te treffen overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid; een en ander met inachtneming van de bepalingen van deze wet. 2. Tenzij het tegendeel uitdrukkelijk blijkt, wordt een werkgever geacht aan een persoon, als bedoeld in het vorige lid, een toezegging gedaan te hebben, indien die persoon behoort tot een groep van personen, voor wie in de onderneming een regeling betreffende pensioenen geldt. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: a. op een toezegging, welke een werkgever doet bij of na de opzegging van de dienstbetrekking en welke betreft de uitkering van pensioen terstond na het eindigen van die dienstbetrekking; b. op een toezegging, welke een werkgever doet aan werknemers, die voor de onderneming buiten Nederland werkzaam zijn of bestemd zijn voor dadelijke tewerkstelling buiten Nederland, behalve indien zij hun woonplaats in Nederland hebben, onderscheidenlijk behouden; c. op een toezegging welke een werkgever, zijnde een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, doet aan een aan zijn onderneming verbonden persoon, die 1e. houder of indirect houder is van aandelen, welke ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen, en 2e. ten opzichte van de werkgever schriftelijk ermede heeft ingestemd dat de toezegging niet overeenkomstig het eerste lid wordt uitgevoerd, zulks indien en voor zolang aan het gestelde onder 1e wordt voldaan en de toezegging voldoet aan de met betrekking tot dit onderdeel bij ministeriële regeling vast te stellen nadere regels; d. op een toezegging respectievelijk een deel van een toezegging omtrent pensioen van een werkgever aan een persoon verbonden aan zijn onderneming op grond van diens leeftijd van 60 jaar of ouder respectievelijk 51 tot en met 59 jaar op het tijdstip van de toezegging. Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot dit onderdeel nadere regels gesteld. 4. Voorzieningen, als bedoeld in het eerste lid, onder c, kan een werkgever treffen door: A. Vervallen; B. verzekeringsovereenkomsten te sluiten met een verzekeraar: 1e. die in het bezit is van de ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de ingevolge de artikelen 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of 2e. die heeft voldaan aan de vereiste procedure als bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid of 118, tweede of vijfde lid, van genoemde wet indien het de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft. C. er voor te zorgen, dat personen, verbonden aan zijn onderneming, daartoe door hem geheel of ten dele in staat gesteld, zelf overeenkomsten als onder B bedoeld sluiten. Onze Minister stelt regelen vast met betrekking tot het geval een werkgever zijn toezegging uitvoert of heeft uitgevoerd door het treffen van voorzieningen, bedoeld in dit lid, onder B en C. Deze regelen moeten waarborgen, dat de positie van de betrokkenen met inachtneming van de aard van die voorzieningen niet beter of slechter is dan bij uitvoering van de toezegging op een van de andere wijzen voorzien in het eerste lid. Bedingen, die in strijd zijn met die regelen, zijn nietig. 5. Een werkgever is gehouden ervoor zorg te dragen dat degene, aan wie hij de uitvoering van de pensioentoezegging heeft toevertrouwd, de overeengekomen bijdragen ontvangt. 6. Indien de toezegging inhoudt dat de omvang van de werkgeversbijdrage telkens aan het einde van een periode wordt vastgesteld, mag een zodanige periode niet langer dan een jaar duren. 7. Indien een werkgever zich bij de toezegging de bevoegdheid tot vermindering of beëindiging van zijn bijdrage aan de pensioenregeling heeft voorbehouden, is hij verplicht van dit voorbehoud schriftelijk mededeling te doen aan degene aan wie hij de uitvoering van de pensioentoezegging heeft toevertrouwd. Hij kan dit voorbehoud slechts maken voor het geval van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. Wanneer hij voornemens is tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van dit voorbehoud over te gaan, deelt hij dit onverwijld schriftelijk mede aan degene aan wie hij de uitvoering van de pensioentoezegging heeft toevertrouwd, alsmede aan degenen, wier pensioen of aanspraak op pensioen daardoor wordt getroffen. 8. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het begrip 'toezegging omtrent pensioen', bedoeld in het eerste lid. Daarbij kunnen vrijwillige pensioenvoorzieningen onderscheidenlijk deelnemingen in een pensioenfonds of pensioenregeling, anders dan bedoeld in het negende en tiende lid, worden gelijkgesteld met pensioenvoorzieningen op grond van een toezegging omtrent pensioen onderscheidenlijk deelnemingen ter uitvoering van een toezegging omtrent pensioen. 9. Met pensioenvoorzieningen op grond van een toezegging omtrent pensioen worden gelijkgesteld vrijwillige pensioenvoorzieningen en regelingen als bedoeld in artikel 13, vierde lid, onderdeel a, onder 3 en 4, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. 10. Met deelneming in een pensioenfonds ter uitvoering van een toezegging omtrent pensioen wordt gelijkgesteld deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Artikel 2a. 1. Ingeval een werkgever een toezegging omtrent pensioen doet, mogen personen, verbonden aan zijn onderneming, niet worden uitgesloten van deelneming aan de betreffende pensioenregeling vanwege het minder dan de volledige arbeidstijd werkzaam zijn. 2. Indien als voorwaarde voor toetreding tot de pensioenregeling een minimum loongrens wordt gesteld, wordt voor de toepassing van die loongrens het loon van een persoon die minder dan de volledige arbeidstijd werkzaam is, herleid naar het loon dat in geval van een volledige arbeidstijd zou zijn verkregen. 3. Bij de vaststelling van aanspraken op ouderdoms-, weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen worden aan personen die minder dan de volledige arbeidstijd werkzaam zijn ten minste pensioenaanspraken verleend naar evenredigheid van de aanspraken die in geval van een volledige arbeidstijd zouden zijn verkregen. 4. Bij de vaststelling van aanspraken op invaliditeitspensioen die aan de deelneming kunnen worden ontleend, is onderscheid op grond van het enkele feit van de omvang van de arbeidstijd niet toegestaan. Artikel 2b. 1. Indien in een pensioenregeling wordt voorzien in een ouderdomspensioen en een nabestaandenpensioen dat bij beëindiging van de deelneming een premievrije aanspraak oplevert, wordt aan een deelnemer of gewezen deelnemer, ongeacht zijn burgerlijke staat, de mogelijkheid geboden, in elk geval met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan, in plaats van het nabestaandenpensioen te kiezen voor één of meer van de volgende vormen van ouderdomspensioen: een hoger ouderdomspensioen; een eerder ingaand ouderdomspensioen; een hoger en een eerder ingaand ouderdomspensioen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: het vrijwillige nabestaandenpensioen; het wezenpensioen; de aanspraak van de gewezen echtgenoot, bedoeld in artikel 8a, eerste en tweede lid. 3. De collectieve actuariële waarde van het ouderdomspensioen bedoeld in het eerste lid, is, ongeacht de datum waarop de keuze wordt gemaakt, ten minste gelijkwaardig aan de collectieve actuariële waarde van dat nabestaandenpensioen. 4. Bij de keuze, bedoeld in het eerste lid is, in voorkomend geval in afwijking van artikel 8c, tweede lid, de toestemming van de echtgenoot vereist of is de toestemming van de partner die is aangemeld in het kader van een partnerpensioen vereist. Voor toepassing van dit artikellid is artikel 32ba, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en het derde lid. NB Artikel 2b is uitsluitend van toepassing op vanaf 1 januari 2002 opgebouwde pensioenaanspraken. Voorzover het aanspraken op pensioen betreft die, als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd voorzover de deelnemer is opgehouden aan de onderneming verbonden te zijn, is artikel 2b uitsluitend van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002. Artikel 2b, derde lid, treedt voorzover het betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage of voorzover het voorzieningen betreft in de zin van artikel 2, vierde lid, waarbij een zodanig pensioen is toegezegd dat op individueel niveau wordt gestreefd naar een pensioen dat wordt bepaald op basis van het salaris en de diensttijd van de betrokkene en ter dekking waarvan een of meer kapitaalverzekeringen met pensioen-clausule worden gesloten met dien verstande dat bij die voorziening zodanige voorbehouden gelden dat de betrokkene slechts aanspraak kan maken op het pensioen dat aan de hand van de op de uitkeringsdatum geldende tarieven aangekocht kan worden met het alsdan opgebouwde kapitaal, in werking met ingang van 1 januari 2005. Artikel 2c. 1. Indien in een pensioenregeling de deelnemer of gewezen deelnemer de mogelijkheid wordt geboden in plaats van een bepaald soort pensioen geheel of gedeeltelijk te kiezen voor een ander soort pensioen, anders dan bedoeld in artikel 2b, is de collectieve actuariële waarde van dat andere pensioen ten minste gelijkwaardig aan de collectieve actuariële waarde van het eerstgenoemde pensioen. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de keuzemogelijkheid, bedoeld in het eerste lid. NB Artikel 2c is uitsluitend van toepassing op vanaf 1 januari 2002 opgebouwde pensioenaanspraken. Voorzover het aanspraken op pensioen betreft die, als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd voorzover de deelnemer is opgehouden aan de onderneming verbonden te zijn, is artikel 2c uitsluitend van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002. Artikel 2c treedt voorzover het betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage of voorzover het voorzieningen betreft in de zin van artikel 2, vierde lid, waarbij een zodanig pensioen is toegezegd dat op individueel niveau wordt gestreefd naar een pensioen dat wordt bepaald op basis van het salaris en de diensttijd van de betrokkene en ter dekking waarvan een of meer kapitaalverzekeringen met pensioen-clausule worden gesloten met dien verstande dat bij die voorziening zodanige voorbehouden gelden dat de betrokkene slechts aanspraak kan maken op het pensioen dat aan de hand van de op de uitkeringsdatum geldende tarieven aangekocht kan worden met het alsdan opgebouwde kapitaal, in werking met ingang van 1 januari 2005. Artikel 3. 1. Een werkgever, die voor personen, verbonden aan zijn onderneming, de gelegenheid opent of vóór de inwerkingtreding van dit artikel geopend heeft, tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging, is verplicht met het oog daarop aan de onderneming een spaarfonds te verbinden, dat beantwoordt aan de bepalingen van deze wet. 2. Een werkgever is gehouden ervoor zorg te dragen dat het fonds de bijdragen ontvangt welke voor de uitvoering van de spaarregeling overeengekomen zijn. 3. Indien een werkgever een zodanige regeling heeft getroffen dat de omvang van zijn bijdrage telkens aan het einde van een periode wordt vastgesteld, mag een zodanige periode niet langer dan een jaar duren. Indien de dienstbetrekking van een werknemer tijdens een zodanige periode eindigt, is de bijdrage naar tijdsevenredigheid verschuldigd. 4. Indien een werkgever zich bij de aanvang of wijziging van de spaarregeling de bevoegdheid tot vermindering of beëindiging van zijn bijdrage aan de spaarregeling heeft voorbehouden, is hij verplicht van dit voorbehoud schriftelijk mededeling aan het fonds te doen. Hij kan dit voorbehoud slechts maken voor het geval van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. Wanneer hij voornemens is tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van dit voorbehoud over te gaan, deelt hij dit onverwijld schriftelijk aan het fonds en aan de deelnemers mede. Artikel 3a. 1. Een werkgever komt met het aan zijn onderneming verbonden fonds dan wel, indien een voorziening overeenkomstig artikel 2, vierde lid, onder B, is getroffen, met de verzekeraar schriftelijk een regeling omtrent de betaling van de bijdragen overeen, welke ten minste voldoet aan de voorschriften van het volgende lid. Een werkgever, die is toegetreden tot een bedrijfstakpensioenfonds, treft eveneens een zodanige regeling met het bedrijfstakpensioenfonds, indien en voor zover de statuten en reglementen van dit fonds niet overeenkomstige voorschriften omtrent de betaling van de bijdragen bevatten. 2. Onverminderd artikel 9a, tweede lid, moet een werkgever binnen tien dagen na afloop van elk kalenderkwartaal zijn eigen bijdrage in de voorziening voor elke deelnemer of, indien een voorziening overeenkomstig artikel 2, vierde lid, onder B, is getroffen, verzekerde, berekend over dat kwartaal alsmede de bijdragen, welke hij over dat kwartaal op het loon van de deelnemers of verzekerden heeft ingehouden, voldoen aan het fonds, onderscheidenlijk de verzekeraar. Wordt zijn bijdrage na afloop van een langere termijn dan een kwartaal vastgesteld, dan moet hij binnen tien dagen na afloop van elk kwartaal het vierde gedeelte van zijn geschatte jaarbijdrage voldoen, met dien verstande, dat hij zijn jaarbijdrage in haar geheel binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar moet hebben betaald. 3. Indien een werkgever zijn verplichting tot betaling aan het pensioen- of spaarfonds niet binnen een maand na afloop van de in het tweede lid genoemde termijnen is nagekomen, is ieder der bestuurders van het fonds gehouden ervoor zorg te dragen, dat dit binnen 30 dagen aan de Pensioen- & Verzekeringskamer wordt medegedeeld. 4. Indien een werkgever zijn verplichting tot betaling niet binnen een maand na afloop van de in het tweede lid genoemde termijnen is nagekomen, is hij, tenzij hij toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2, zevende lid, laatste volzin, verplicht daarvan binnen drie maanden na afloop van die maand schriftelijk mededeling te doen aan degenen wier pensioen of aanspraak op pensioen daardoor wordt getroffen. Artikel 3b Door de overgang van een onderneming, bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij ten aanzien van de aan die onderneming verbonden werknemers geen toezegging omtrent pensioen is gedaan en geen spaarregeling geldt, wordt: indien de verkrijger ten aanzien van de aan zijn onderneming verbonden werknemers voor het tijdstip van de overgang reeds een toezegging heeft gedaan, hij geacht deze tevens te hebben gedaan ten aanzien van de in de aanhef genoemde werknemers; dan wel indien ten aanzien de aan de verkrijgende onderneming verbonden werknemers voor het tijdstip van de overgang reeds een spaarregeling van toepassing was, deze regeling tevens van toepassing op de in de aanhef genoemde werknemers. NB. Artikel 3b treedt in werking op 1 juli 2002. Artikel 4. Als pensioen- of spaarfonds mogen slechts werkzaam zijn rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. Het bestuur van een pensioen- of spaarfonds is verplicht binnen drie maanden na oprichting van het fonds dit te melden bij de Pensioen- & Verzekeringskamer door middel van een door die kamer vast te stellen formulier. [Vervallen] Binnen de in het tweede lid genoemde termijn zendt het bestuur van een pensioen- of spaarfonds een afschrift van de akte van oprichting, een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van de reglementen, alsmede een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de overeenkomst, waarin de regeling omtrent de betaling van de bijdragen, als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, eerst volzin, is opgenomen, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer. Het bestuur van het fonds, met uitzondering van een bedrijfstakpensioenfonds ten aanzien waarvan met toepassing van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 een verplichting tot deelneming geldt dan wel een aanvraag tot een dergelijke verplichting in behandeling is, zendt een authentiek afschrift van de akte, houdende wijziging van de statuten, een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van wijzigingen van de reglementen, en een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen van de hiervoor bedoelde overeenkomst binnen drie maanden na de totstandkoming van die wijzigingen aan de Pensioen- & Verzekeringskamer. De statuten en reglementen van een pensioen- of spaarfonds moeten bepalingen inhouden, beantwoordende aan de voorschriften van de artikelen 5, 6, 6a, 6b, 6c, eerste en tiende lid, 7a tot en met 10b, 17, 17a en 32b en indien van toepassing aan de voorschriften van 2b, 2c en 32ba, een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 7. Artikel 5. 1. Het dagelijks beleid van een pensioen- of spaarfonds wordt bepaald door ten minste twee personen. 2. De deskundigheid van de personen die het beleid van een pensioen- of spaarfonds bepalen of mede bepalen, dient naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer voldoende te zijn met het oog op de belangen van de bij het fonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers en overige belanghebbenden. 3. De voornemens, de handelingen of de antecedenten van de personen die het beleid van het pensioen- of spaarfonds bepalen of mede bepalen, mogen de Pensioen- & Verzekeringskamer geen aanleiding geven tot het oordeel dat, met het oog op de belangen, bedoeld in het tweede lid, de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat. 4. De personen die het beleid van een pensioen- of spaarfonds bepalen of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het fonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers en overige belanghebbenden en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. 5. Het bestuur van het fonds brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen vooraf ter kennis aan de Pensioen- & Verzekeringskamer. 6. Een wijziging als bedoeld in het vijfde lid word niet doorgevoerd indien de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen zes weken na ontvangst van de melding, of, indien de Pensioen- & Verzekeringskamer om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of inlichtingen aan het bestuur van het fonds bekend maakt dat zij niet met de voorgenomen wijzigingen instemt. 7. Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten, bedoeld in het derde lid, stelt het bestuur van het fonds de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan onverwijld schriftelijk in kennis. 8. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt beleidregels vast metbetrekking tot de toepassing van dit artikel. 9. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt aan een autoriteit die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht effectenverkeer 1995 belast is met het toezicht op kredietinstellingen, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders de gegevens of inlichtingen die zij verkregen heeft bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid van personen als bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk de voornemens, de handelingen of de antecedenten van personen als bedoeld in het derde lid, voor zover de Pensioen- & Verzekeringskamer van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend. 10. In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder pensioenfonds mede verstaan een beroepspensioenfonds. NB Ten aanzien van op 1 januari 2000 al aangestelde personen geldt dat de beoordeling als bedoeld in het tweede en derde lid voor de resterende duur van hun termijn achterwege blijft. Artikel 5a. 1. Een pensioenfonds, een beroepspensioenfonds en een spaarfonds beschikken over een gedragscode die voor bestuurders en medewerkers van het fonds voorschriften geeft ter voorkoming van belangenconflicten en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij het fonds aanwezige informatie of zaken. 2. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van deze gedragscode. 3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak verstrekken aan de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht effectenverkeer 1995 zijn belast met het toezicht op het effectenverkeer, tenzij: a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is; b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn; c. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd; d. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of e. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt. NB Zie ook: Wet toezicht effectenverkeer 1995 Artikel 6. 1. In het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds moeten de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersvakverenigingen in de betrokken bedrijfstak in gelijken getale zitting hebben. 2. In het bestuur van een ondernemingspensioenfonds of van een spaarfonds moeten de vertegenwoordigers van de in het fonds deelnemende werknemers ten minste evenveel zetels bezetten als de vertegenwoordigers van de werkgever. 3. Indien de statuten of reglementen van een fonds voorzien in stemgerechtigde vertegenwoordigers in het bestuur van anderen dan werknemers- of werkgeversvakverenigingen binnen de betrokken bedrijfstak onderscheidenlijk in het fonds deelnemende werknemers of de werkgever, worden die vertegenwoordigers voor de toepassing van het eerste onderscheidenlijk tweede lid gelijkgesteld met vertegenwoordigers van werknemersvakverenigingen onderscheidenlijk vertegenwoordigers van de in het fonds deelnemende werknemers. 4. Ieder der bestuurders van een pensioenfonds of van een spaarfonds is bevoegd een deskundige te raadplegen, alsmede zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste één vierde der bestuurders zich daarvoor heeft uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan. Artikel 6a. Het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds is verplicht over te gaan tot het instellen van een deelnemersraad indien dit wordt verzocht door één of meer verenigingen die samen binnen het fonds ten minste een ledental hebben van 5% van het totale aantal van de in het fonds deelnemende werknemers en de gewezen deelnemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen. In de deelnemersraad zijn de in het fonds deelnemende werknemers en de gepensioneerden evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd. Op grond van door het bestuur van het fonds vast te stellen criteria kunnen daarnaast ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen deelnemers met premievrije aanspraken op ouderdomspensioen in de deelnemersraad zitting hebben. In geval van verkiezing van de leden van de deelnemersraad door de belanghebbenden bij een fonds, kunnen slechts kandidaten worden voorgedragen door verenigingen, die elk afzonderlijk ten minste 1% van het aantal belanghebbenden, dan wel, indien dat aantal meer is dan 25 000, ten minste 250 belanghebbenden tot lid hebben; voor zover geen verkiezing door de belanghebbenden plaatsvindt, moeten verenigingen, die voldoen aan deze criteria, evenredig aan hun ledentallen binnen het fonds zijn vertegenwoordigd in de deelnemersraad; een en ander onverminderd de tweede zin. Het in de vierde zin bedoelde percentage en minimumaantal worden in de statuten en reglementen van een fonds niet hoger vastgesteld. Het bestuur van een ondernemingspensioenfonds is verplicht over te gaan tot het instellen van een deelnemersraad indien dit wordt verzocht door ten minste 5% van de personen die behoren tot de in het fonds deelnemende werknemers en de gewezen deelnemers en hun pensioengerechtigde nagelaten betrekkingen. In de deelnemersraad moeten de in het fonds deelnemende werknemers en de gepensioneerden evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen zijn vertegenwoordigd. Op grond van door het bestuur van het fonds vast te stellen criteria kunnen daarnaast ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen deelnemers met premievrije aanspraken op ouderdomspensioen in de deelnemersraad zitting hebben. In geval van verkiezing van de leden van de deelnemersraad door de belanghebbenden bij een fonds, kunnen kandidaten worden voorgedragen door verenigingen en door individuele belanghebbenden; in geval geen verkiezing door de belanghebbenden plaatsvindt, maar de leden worden benoemd door verenigingen, moeten deze verenigingen evenredig aan hun ledentallen binnen hun geleding binnen het fonds zijn vertegenwoordigd in de deelnemersraad, onverminderd de tweede zin. De artikelen 6b, 6c, 6d en 6e zijn van overeenkomstige toepassing op een deelnemersraad, die krachtens de statuten en reglementen van een fonds is ingesteld anders dan met toepassing van het eerste en tweede lid, mits is voldaan aan de tweede zin van het eerste onderscheidenlijk tweede lid; en in geval van een bedrijfstakpensioenfonds tevens is voldaan aan de vierde en vijfde zin van het eerste lid en aan het vierde lid. Een vereniging als bedoeld in het eerste en tweede lid moet volledige rechtsbevoegdheid bezitten; haar statutair doel moet mede omvatten het behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een fonds. Onze Minister kan verenigingen aanwijzen op wie het eerste lid, vierde volzin, en het vierde lid, voor een bij die aanwijzing te bepalen periode niet van toepassing zijn. NB Bij op 23 juni 2000 bestaande deelnemersraden moeten de statuten en reglementen van een fonds binnen vijf jaren na dat tijdstip zijn aangepast aan de Wet. Artikel 6b. 1. De deelnemersraad adviseert het fonds desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden die het fonds betreffen. De deelnemersraad wordt in ieder geval in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door een daartoe bevoegd orgaan van het fonds voorgenomen besluit tot: a. het nemen van maatregelen van algemene strekking; b. wijziging van de statuten en reglementen van het fonds; c. vaststelling van het jaarverslag, de begroting en de bescheiden bedoeld in de artikelen 9c en 10b voor zover voor het fonds van toepassing; d. wijziging van de hoogte van ingegane pensioenen indien toepassing wordt gegeven aan het gestelde in artikel 7, eerste lid, onderdeel i; e. het verlenen van toeslagen hoe ook genaamd of het aanbrengen van wijziging daarin voorzover die besluiten niet reeds onder onderdeel b vallen of verband houden met een toezegging neergelegd in een statutaire of reglementaire bepaling van het fonds; f. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het fonds; g. liquidatie van het fonds. 2. Het advies van de deelnemersraad moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de in het eerste lid bedoelde besluiten. Bij het vragen van advies wordt aan de deelnemersraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de belanghebbenden bij het fonds zal hebben. 3. Het bestuur van het fonds en de deelnemersraad komen ten minste tweemaal per kalenderjaar in vergadering bijeen. Tijdens deze vergaderingen worden de aangelegenheden aan de orde gesteld waarover het bestuur of de deelnemersraad overleg wenselijk acht. 4. Het bestuur van het fonds is verplicht desgevraagd aan de deelnemersraad tijdig alle inlichtingen en gegevens te verstrekken, die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk verstrekt. Artikel 6c. 1. Het bevoegde orgaan van het fonds deelt de deelnemersraad zo spoedig mogelijk schriftelijk mee of het een ontvangen advies inzake de in artikel 6b, eerste lid, bedoelde aangelegenheden niet of niet geheel volgt, waarbij tevens wordt meegedeeld waarom van het advies of van een daarin vervat minderheidsadvies wordt afgeweken. 2. De deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, eerste zin, of een besluit als bedoeld in de tweede zin van dat artikellid, hetzij wanneer de deelnemersraad met betrekking tot dat besluit, in strijd met artikel 6b, eerste lid, tweede zin, niet voorafgaand in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de deelnemersraad, hetzij wanneer feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die, waren zij aan de deelnemersraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht. 3. Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift, binnen acht weken nadat de deelnemersraad van het besluit in kennis is gesteld. Het bevoegde orgaan van het fonds wordt van het ingestelde beroep in kennis gesteld. Het verzoek is niet-ontvankelijk, indien met betrekking tot dezelfde aangelegenheid een aanwijzing is gegeven door de Pensioen- & Verzekeringskamer. 4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld terzake dat het bevoegde orgaan van het fonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen. 5. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede bij het fonds werkzame personen horen. Indien de ondernemingskamer het beroep gegrond bevindt, kan zij, indien de deelnemersraad daarom heeft verzocht, een of meer van de volgende voorzieningen treffen: a. het opleggen van de verplichting aan het bevoegde orgaan van het fonds om het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken; b. het opleggen van een verbod aan het bevoegde orgaan van het fonds om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of onderdelen daarvan. 6. Het bevoegde orgaan moet aan de getroffen voorziening voldoen; een voorziening kan door derden verworven rechten echter niet aantasten. 7. De ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien beide partijen daar om verzoeken, dan wel indien het bevoegde orgaan van het fonds op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld, in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit ongedaan te maken. 8. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de ondernemingskamer, zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. De derde zin van het vijfde lid en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 9. Van een beschikking van de ondernemingskamer staat uitsluitend beroep in cassatie open. 10. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de deelnemersraad komen ten laste van het fonds, indien zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de deelnemersraad en het fonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. In rechtsgedingen tussen het fonds en de deelnemersraad kan de deelnemersraad niet in de proceskosten worden veroordeeld. Artikel 6ca. Een geleding binnen de deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, onderdeel f of g, van het bevoegde orgaan van het fonds, wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de deelnemersraad. Artikel 6c, derde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 6d. 1. Indien binnen de in artikel 6c, derde lid, bedoelde termijn geen beroep bij de ondernemingskamer is ingesteld, kan de deelnemersraad of een gedeelte van ten minste 10% van de leden van de deelnemersraad een klacht indienen bij de Pensioen- & Verzekeringskamer op grond van het oordeel dat het bevoegde orgaan van het fonds bij een aangelegenheid als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, de belangen van belanghebbenden niet op evenwichtige wijze behartigt. De klacht wordt binnen acht weken na afloop van die termijn ingediend volgens door de Pensioen- & Verzekeringskamer te stellen regels. Die regels, welke de goedkeuring behoeven van Onze Minister, worden in de Staatscourant bekend gemaakt. Goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 2. De Pensioen- & Verzekeringskamer geeft zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twaalf weken na dagtekening van de klacht, een oordeel. Zij stelt het bevoegde orgaan van het fonds en de deelnemersraad hiervan onverwijld in kennis. 3. Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, is het bevoegde orgaan van het fonds verplicht om binnen twaalf weken na dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, zijn zienswijze terzake aan de Pensioen- & Verzekeringskamer te berichten. Artikel 6e. Door middel van een besluit van het bestuur van het fonds kunnen aan de deelnemersraad verdere bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend. Een zodanig besluit wordt schriftelijk vastgelegd en behoeft de instemming van de deelnemersraad. Verder -------------------------------------------------------------------------------- Disclaimer: 'Hoewel wij ernaar streven om correcte en actuele informatie te verschaffen, kunnen wij niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop deze ontvangen wordt of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Op grond van de informatie dienen derhalve geen acties te worden ondernomen zonder voorafgaand deskundig advies.' © 2004 Watson Wyatt Brans & Co. Alle rechten voorbehouden sites over lijfrente en kapitaalverzekeringen |